De Colombiaanse regering heeft tijdens de herdenking van het bloedbad onder bananenarbeiders uit 1928 officieel erkend dat het om een misdaad van de staat ging. President Gustavo Petro maakte de verklaring op 6 december tijdens een ceremonie in Ciénaga, Magdalena, waar de gebeurtenissen zich destijds afspeelden.
Petro verklaarde dat de moorden werden gepleegd tegen ongewapende arbeiders die betere arbeidsomstandigheden eisten van de United Fruit Company, de Amerikaanse multinational die toen de bananenproductie domineerde. De president riep de strijdkrachten op nooit bevelen te gehoorzamen die de menselijke waardigheid schenden en herinnerde eraan dat openbare machten gebonden blijven aan de Grondwet en de fundamentele rechten van de mens.
Petro haalde ook uit naar de rol van de Verenigde Staten, die volgens hem betrokken was bij de gebeurtenissen van 1928, en legde een parallel met de huidige geopolitieke druk op zijn regering.
Tijdens de plechtigheid wees minister van Arbeid Antonio Sanguino erop dat Colombia nog altijd het gevaarlijkste land ter wereld is voor vakbondsleden: 61 procent van alle vakbondsmoorden sinds 1971 vond plaats in het land. Vakbondsleider Over Dorado Cardona drong aan op een structureel herstelbeleid voor slachtoffers en riep de regering op om daadkrachtig te handelen.
Afstammelingen van de slachtoffers benadrukten dat erkenning pas het begin is van het helingsproces. De regering kondigde aan dat de waarheid over de massamoord zal worden opgenomen in het officiële staatsverhaal, om te voorkomen dat dergelijke tragedies zich herhalen.