Oud-president Gustavo Petro heeft in Colombia politieke ophef veroorzaakt door vraagtekens te zetten bij de operatie waarbij crimineel leider Naín Andrés Pérez Toncel, alias ‘Bendito Menor’, om het leven kwam. Petro vroeg waarom vier mensen stierven in een woning die volgens hem volledig door de Nationale Politie was omsingeld.
De operatie vond plaats in Riohacha, hoofdstad van het noordelijke departement La Guajira. Daarbij werd Pérez Toncel gedood, samen met drie andere aanwezigen. Hij stond bekend als leider van de Autodefensas Conquistadoras de la Sierra Nevada, ACSN, een gewapende criminele groepering die vooral wordt gelinkt aan drugshandel, afpersing en geweld in het Caribische gebied van Colombia.
Volgens de beschikbare informatie had ‘Bendito Menor’ vijf arrestatiebevelen openstaan. De verdenkingen betroffen onder meer gekwalificeerde moord, ontvoering, afpersing en criminele samenzwering. Ook zou Interpol een rood opsporingsbericht tegen hem hebben uitgevaardigd. De autoriteiten beschouwden hem als een belangrijk doelwit.
Petro stelde op X dat de prioriteit bij een omsingelde locatie arrestatie zou moeten zijn. Hij vroeg zich af of de operatie in Riohacha was gericht op gevangenneming of op het doden van de aanwezigen. Daarbij verwees hij naar het ontbreken van de doodstraf in de Colombiaanse grondwet en vroeg hij waarom het leven van de vrouwen in het pand niet beter was beschermd.
De reactie leidde tot kritiek vanuit de regering van president Abelardo de la Espriella. Minister van Handel, Industrie en Toerisme Mauricio Gómez Amín verweet Petro dat hij tijdens zijn presidentschap onvoldoende had opgetreden tegen illegale gewapende groepen. Ook de populaire streamer Westcol stelde dat de oud-president meer aandacht had voor de gedode crimineel dan voor militairen die deelnamen aan de operatie.
De discussie gaat inmiddels verder dan deze ene actie. Tegenstanders van de regering zeggen dat dode criminelen te gemakkelijk als politieke successen worden gepresenteerd. Andere critici wijzen erop dat grote gewapende organisaties, zoals de Clan del Golfo, het ELN en FARC-dissidenten, in het Caribische gebied actief blijven.
De kwestie onderstreept hoe operaties tegen gewapende criminaliteit in Colombia niet alleen een veiligheidsvraagstuk zijn, maar ook direct politieke gevolgen krijgen.